Bij een CAT put de computer uit een ‘bank’ met opgaven van verschillende moeilijkheid. De computer selecteert voor een leerling die opgaven die het best bij zijn of haar vaardigheid passen. Na het geven van een goed antwoord volgt er een wat moeilijker opgave en na het geven van een fout antwoord een wat makkelijker opgave. Veel te moeilijke en te makkelijke opgaven komen niet voor selectie in aanmerking. De computer zet de scores op de opgaven voor alle leerlingen om naar een en dezelfde onderliggende vaardigheidsschaal. Ook al krijgen leerlingen zeer verschillende opgaven voorgelegd, hun resultaten blijven onderling vergelijkbaar.