Resultaten: European Survey on Language Competences

De vaardigheden van de Nederlandse scholieren zijn onderzocht op verschillende niveaus. Deze variëren van het basisniveau A1, A2 tot B1, B2. In Nederland behaalt bijna 80 procent van de leerlingen een B-niveau in de toetsen voor Engels luisteren, 60 procent voor Engels lezen en 60 procent voor Engels schrijven. Voor de vaardigheden Duits is het patroon over het algemeen dat de meeste Nederlandse leerlingen minstens B1-niveau hebben. Daarentegen scoren de meeste andere landen voornamelijk op basisniveau (A1 en A2).

Verbetering mogelijk

Zo wordt in Nederland veel minder Engels gesproken tijdens de lessen Engels, dan in andere landen. Daarbij komt dat er een positieve relatie bestaat tussen de frequentie van het gebruik van de vreemde taal tijdens de les en de scores van leerlingen voor de vaardigheden (luisteren, lezen en schrijven) van beide talen (Engels en Duits). Meer gebruik van de doeltaal in het vreemdetalenonderwijs in Nederland is dus het overwegen waard.

Andere opvallende resultaten

Uit het onderzoek blijkt dat Nederland het hoogste percentage leraren heeft dat gespecialiseerd is in de vreemde taal waarin hij lesgeeft (73% van de leraren Duits geeft alleen lessen Duits). Een ander resultaat is dat het vreemdetalenonderwijs in Nederland relatief laat start. De meeste leerlingen krijgen Engels vanaf groep 7 van de basisschool. In de meeste landen start het vreemdetalenonderwijs al eerder. Hier staat tegenover dat Nederland wel tot de landen behoort met de meeste lesuren per week voor vreemde talen. Dit wordt vooral veroorzaakt door het feit dat Nederlandse leerlingen vaak meer dan een vreemde taal in hun vakkenpakket hebben.

Niet één op één vergelijkbaar

De leerlingen die getoetst zijn in Nederland, zaten in 3 havo/vwo en in 4 vmbo. De resultaten van het vreemdetalenonderwijs geven een indicatie, maar kunnen niet één op één vergeleken worden met de resultaten van andere landen. Zo zijn de vreemde talen niet overal verplicht en varieert de leeftijd van leerlingen uit het onderzoek van 13 tot 16 jaar. Wat wel kan worden vergeleken zijn de verschillen in de organisatie en omstandigheden van vreemdetalenonderwijs en de relatie van deze variabelen met de resultaten van leerlingen.